Ik ben opgegroeid in wat men een doorsnee gezin noemt. Met ‘doorsnee’ bedoel ik een leven dat volgens een vast patroon verloopt: je gaat naar school om iets te leren, vervolgens ga je werken om in je levensonderhoud te voorzien, en wanneer je niet alleen voor jezelf maar ook voor anderen kunt zorgen, ontstaat vanzelf het idee om een gezin te stichten.

Daarbij hoort vaak het streven naar het ideale plaatje: het vinden van de perfecte wederhelft, de man of vrouw van je dromen, gevolgd door een huwelijk. Zo is het ook mij vergaan. Mijn hoofd was gevuld met romantische beelden: een ideale partner, een volmaakt huwelijk, een droomgezin. Maar boven alles leefde bij mij de overtuiging dat dit perfecte huwelijk eindelijk een einde zou maken aan mijn innerlijke leegte.

Geïnspireerd door liefdesliedjes met teksten als ‘ik kan niet leven zonder jou’ en ‘zonder jou besta ik maar half’, geloofde ik oprecht dat ik in het huwelijk ‘volledig’ zou worden. Alsof de ander mij compleet zou maken. Mijn verwachtingen waren dan ook hooggespannen.

Die verwachtingen kwamen echter niet uit. Zodra de wittebroodsweken voorbij waren, keerde het vertrouwde gevoel van onbehagen terug. Misschien denkt de lezer nu dat ik daar mijn les uit heb getrokken. Niets was minder waar. Ik trok een andere conclusie: dit was simpelweg niet de juiste vrouw voor mij. In mijn overtuiging was zij verantwoordelijk voor mijn innerlijke onrust, en zo begon ik opnieuw uit te kijken naar een andere vrouw, in de hoop dat zij wél zou kunnen vervullen wat ik in mezelf niet vond.

Plaats een reactie