Het allereerste dat in mijn leven gebeurde, was ademhalen. Niemand leerde me hoe, het gebeurde gewoon. Sindsdien gaat en komt mijn adem vanzelf, zonder dat ik er iets voor hoef te doen. Dat is bijzonder: de adem gaat dóór mij én zonder mij. Een ononderbroken stroom van buiten naar binnen en weer terug. Ik ben volledig afhankelijk van die stroom. Zonder adem kan ik niet leven; ik zou mezelf geen vijf minuten kunnen laten voortbestaan. Die voortdurende aanraking met de lucht om mij heen ervaar ik als een basisvoorwaarde van mijn bestaan.
Tegelijkertijd is ademen ook een uitdrukking van wie ik ben: in de manier waarop ik adem toont zich iets van mijn innerlijke toestand. Toch heb ik altijd de neiging om mijn adem te willen sturen of ‘een handje te helpen’. Soms houd ik hem vast, tot het niet meer gaat, en moet ik hem weer loslaten en teruggeven aan wat buiten mij is. Elke inademing verrast me opnieuw: hoe het mij oplicht, oplaad en de kracht die ik voel binnenkomen. De uitademing is het tegenovergestelde: loslaten, ontspannen, thuiskomen bij mezelf. Dat geeft rust. Naarmate ik meer aandacht heb gekregen voor mijn adem, werd zij een intieme wegwijzer.
De adem toont me wat er in mij leeft: spanning, vreugde, verdriet, dichtklappen of juist openen. Door te luisteren naar de adem kom ik stukje bij beetje dichter bij wie ik diep van binnen ben. Ademen is dus niet alleen een lichamelijke functie; het is een directe verbinding met mezelf. Als ik mijn adem observeer, zonder te willen veranderen, leer ik veel over mijn lichaam en mijn gevoel. Soms is dat genoeg om alleen maar te merken hoe dat is. Andere keren kan ik bewust mijn adem gebruiken om mezelf te kalmeren, te activeren of te gronden. De adem is altijd beschikbaar, een stille metgezel die me telkens weer terugbrengt naar mijn kern. Hoe vaker ik naar haar luister, hoe duidelijker zij mij wijst op wie ik ben en wat ik nodig heb.

Plaats een reactie