“Zoek en gij zult vinden” is een bekende uitdrukking die vaak wordt verbonden met de spirituele zoektocht. En in zekere zin is zij waar. Tegelijk weten we inmiddels dat het vinden niet voortkomt uit het zoeken zelf. Dat wat we zoeken, is immers al aanwezig. Onder het vertrouwde ‘ik’ ligt het fundament van ons bestaan, dat ons nu al draagt. Toch, hoe nabij dit ook is, zien we het vaak niet. Of we willen het niet zien, of we durven het niet te zien. Het ligt recht voor onze ogen, en juist daardoor blijven we eraan voorbijgaan. Sterker nog: zolang we blijven zoeken, raken we steeds verder verwijderd van wat we menen te willen vinden.
En toch vraagt deze weg om voortdurende eerlijkheid en toewijding. Steeds opnieuw mogen we onder ogen zien hoe ons handelen en denken nog altijd worden gestuurd door de angst om het ‘ik’ te beschermen. Hoe ons verlangen naar zekerheid ons denken richting een veilige vluchthaven duwt. We varen van haven naar haven, op zoek naar geborgenheid en houvast. Maar zolang we dat blijven doen, blijven we aan de oppervlakte. We durven niet werkelijk af te dalen. Hoe zouden we dan kunnen ontdekken dat deze havens in feite niet bestaan? Dat zij slechts ontstaan uit ons verlangen naar veiligheid en bescherming? Zolang dat verlangen ons drijft, blijven we gevangen in een denkbeeldige wereld van aankomst en toekomst.
In die zin is “Zoek en gij zult vinden” waar, niet omdat we vinden door te zoeken, maar omdat het zoeken zichzelf uiteindelijk uitput. Door te blijven zoeken zonder te vinden, raken we gefrustreerd en moe. En pas wanneer die vermoeidheid tot op de bodem van onze geest doordringt, kan het zoeken vanzelf tot stilstand komen. Op dat moment laten we onze gekoesterde beelden los: het geloof in een beter leven later, de hoop op een toekomstige vervulling. Dan landen we in het hier en nu, waar niets meer gezocht hoeft te worden, omdat alles al aanwezig is.

Plaats een reactie